Kerend tij

sluis knardijk met bootje ervoor

Ik vraag mij af wat me bezield heeft om helemaal alleen hiernaartoe te fietsen als ik neerplof op een bankje dat uitkijkt over het kanaal dat de dijk doorkruist. Recht voor me steekt de zon schel af tegen de blauwe lucht en ik trek een paar diepe rimpels in mijn voorhoofd als ik mijn ogen samenknijp. Mijn blik wordt gevangen door het grote groenuitgeslagen kunstwerk in de verte.
‘Sodemieter op met je mooie praatjes!’ Ik schrik op uit mijn gedachten. Het is alsof de woorden mij worden toegegooid vanaf de steiger, een paar meter naar links schuin onder mij. Vlak daarna klinkt wat gestommel en een vrouwenstem die ik niet kan verstaan. Ik draai mijn hoofd een kwartslag naar rechts en leun een beetje naar voren om het geluid beter te kunnen opvangen.
‘Ik zeg het je, Anna. Het is voorbij. Voorbij!’
Even is het stil. Beneden ligt een boot aan de verder verlaten steiger. De raampjes op het zuiverwitte bovendek schitteren in de zon en het donkerblauw van de romp steekt fel af tegen het fletse rood van de sluis die zich achter de boot bevindt. Op het achterdek staat een grote kale man met een bril. Hij staart naar het water. Zijn schouders hangen en zijn kin raakt bijna zijn borst. Dan klapt de deur van de kajuit open.
‘Hou toch op met dat depressieve gedoe!’ Een ietwat mollige vrouw met opgestoken blond haar stapt naar buiten. ‘Ben je nou echt zo’n slappeling? Na al die jaren volgt er één besluit dat je niet zint en dan leg je je daar zomaar bij neer?’ Ze staat met haar gezicht naar de man en zet beide handen in haar zij.
Ik vraag me af waar dit gesprek over gaat en ik besluit een betere plek te zoeken om het te kunnen horen. Ik sta op van het bankje en loop achteruit richting de weg. Als ik uit het gezichtsveld van de man en vrouw ben draai ik me om en loop met de bocht mee in de richting van de sluis. De sluis doorkruist de dijk die ooit de eerste weg van het vaste land naar het werkeiland vormde, maar die nu zijn functie grotendeels heeft verloren. De stemmen worden geleidelijk zachter, maar nemen weer toe in volume als ik op de zwarte loopbrug stap.
‘Jij weet niet hoe het voelt, Anna. Ik heb me jarenlang uit de naad gewerkt en nu word ik aan de kant gezet. Zo uit het niets. Alsof ik al die jaren niets heb betekend.’
‘Hoezo niets betekend? Jij hebt de zaak toch opgebouwd?’
‘Zonder mij waren ze nergens. Mijn optredens hebben het theater bekendheid gegeven. Dankzij mij kwamen hordes mensen deze kant op. Massa’s mensen heb ik aan het lachen gemaakt, vermaak geboden en kennis over de inpoldering bijgebracht. En nu? Nu ben ik ineens overbodig.’ Ik hoor een zucht en zie hoe hij opnieuw zijn schouders laat hangen. De vrouw slaat een arm om hem heen. ‘Ik ben niet meer nodig, Anna.’
Terwijl ik me afvraag wie deze man is, loop ik naar het midden van de sluis. Halverwege blijf ik staan en keer mijn rug naar de boot. Ik leg mijn hoofd in mijn nek en doe alsof ik naar de betonnen bovenrand van de sluis kijk.
‘Mijn liefie toch’, klinkt het op gedempte toon vanaf de steiger achter mij.
Ik wurm de hiel van mijn rechtervoet tussen de spijlen terwijl ik met mijn rug naar het hek een klein sprongetje maak om bovenop het hek te gaan zitten. Ik houd mijn adem in en knijp mijn knokkels tot witte vlekken om mijn evenwicht te bewaren. Het ijzeren hekwerk voelt koud aan mijn billen. Een lange zucht ontsnapt als ik zit. Grote rode katrollen belemmeren mijn uitzicht over het kanaal. Het is vergane glorie. Ooit waren de katrollen bedoeld om de keersluis te laten zakken bij hoog water, om het land tegen het water te beschermen. Maar nu het besluit genomen is om de dijk te veranderen in een slaper, denk ik dat ze zullen vastroesten.
‘Hé! Jij daar!’ roept de vrouwenstem.
Van schrik laat ik mijn handen los. Mijn benen zwiepen ongecontroleerd naar voren, waardoor ik begin te wankelen. Ik voel hoe het ijzer onder mij wegglijdt en even zie ik de wereld op z’n kop als ik achterover naar beneden val.
Snakkend naar adem vindt mijn lichaam zijn weg naar de oppervlakte van het water en de spetters vliegen druk in het rond als ik bovenkom en met mijn armen om mij heen sla.
‘Hier!’ hoor ik een stem roepen. Het is de man van de boot. Met een dof geluid plonst een reddingsboei vlak naast mij in het water. Rillend sla ik mijn armen er overheen en blijf er versuft op hangen. Het water golft geleidelijk langs mij heen als de man aan de werplijn trekt.
Hij trekt me tot vlak bij het achterdek, steekt zijn hand onder mijn oksel en begint me de boot op te trekken. ’Pak jij hem links, Anna’.
Even later lig ik languit op mijn buik op het dek. Ik rol mezelf om en zie twee paar verschrikte ogen boven mij hangen.
‘Wat doe jij nou, jongen!’ de man kijkt me bezorgd aan.
‘Dat krijg je ervan als je ongevraagd anderen afluistert.’ De vrouw staat op en loopt de kajuit in. Niet veel later komt ze terug met een deken. Ik ga rechtop zitten en trek mijn knieën naar mijn borst. Ze slaat de deken om me heen en loopt direct weer weg.
‘Ik… ik ben hier naartoe gefietst voor de dijk. Een project voor mijn werk. Om te kijken welke archeologische en ecologische waarde de slapende dijk nog heeft. Ik wilde niet…’
‘Jaja, dat zeggen ze allemaal’, klinkt het vanuit de kajuit.
‘Laat hem, Anna. Hij is al genoeg geschrokken. Ik ben Sikke. En jij bent?’ De man steekt zijn hand uit.
’Ben’, stel ik mijzelf voor en ik schud hem de hand.
‘Aangenaam Ben. Welkom aan boord van onze boot.’
Ik begin te klappertanden. Het is herfst en de warmte van de zon is lang niet meer zo intens als tijdens de zomermaanden. De natte kleding plakt aan mijn lijf.
‘A-aangenaam.’
Opnieuw komt de vrouw het dek op. ‘Hier. Een warme kop thee zal je goed doen. Ik ben Anna.’
Met een glimlach pak ik de beker van haar aan. De hitte komt door het aardewerk naar buiten en om de paar seconden pak ik de beker over in mijn andere hand.
‘Ik was niet van plan om u af te luisteren, ik…’
‘Ach jongen, het is geen geheim. Ik ben ontslagen. Het theater dat door mijn optredens landelijke bekendheid heeft verkregen, heeft me aan de kant gezet. Ze willen nieuw bloed. Nieuwe cabaretiers, nieuwe mensen voor de educatieve functies. Ik ben niet meer nodig.’
‘En jij legt je daar zomaar bij neer.’ De vrouw trekt haar lippen strak en wendt haar blik af.
’Zomaar ontslagen? Zonder reden?’ Ik frons mijn wenkbrauwen.
‘Ja jongen, zo gaan die dingen tegenwoordig. Er wordt niet meer gekeken naar de prestaties die je in het verleden hebt geleverd.’
‘Belachelijk’, mengt de vrouw zich in het gesprek. ‘Híj was de publiekstrekker. Degene die de massa hier naartoe gehaald heeft. Cabaretier en docent over het nieuwe land in een. En nu? Niet meer nodig. Afgedankt. “Je kunt als vrijwilliger betrokken blijven” wordt er gezegd. Maar geloof jij dat? Nou ik niet. Het is einde verhaal. Basta.’
Mijn ogen verplaatsen zich van de vrouw terug naar Sikke. Ik zie hoe hij een snik onderdrukt en zijn hoofd afwendt richting het groene kunstwerk in de verte. ‘Het is alsof de duivel zich ermee bemoeid heeft. Ik heb mijn kennis over de strijd tegen het water overgebracht, op een manier die mensen aan het lachen maakte maar die ze ook de noodzaak van stevige dijken liet inzien. Volwassenen, kinderen, toeristen… jarenlang heb ik massa’s mensen op die manier onderwezen tijdens mijn voorstellingen. Maar nu…’, hij zucht, ‘heb ik geen functie meer.’
De warmte van de thee verspreidt zich door mijn lichaam en aandachtig luister ik naar het verhaal van de man. Over hoe hij zich heeft ingezet voor het nieuwe land, hoeveel plezier hij daarin had, hoe nuttig hij zich voelde en hoeveel belangstelling er voor hem en het nieuwe land was. En over het recente besluit om zijn functie vanaf nu bij anderen te beleggen. Ik ben onder de indruk van zijn verhaal. Zowel door zijn manier van vertellen als door zijn grenzeloze kennis over de inpoldering. ‘De hoge heren zijn niet meer bereid om in mij te investeren’, besluit hij zijn verhaal.
Mijn thee is inmiddels koud geworden en mijn kleren zijn grotendeels opgedroogd door de zon.
’Maar ze kunnen u toch niet zomaar aan de kant zetten? U heeft een enorme belangrijke functie vervuld!’ Ik kijk verwonderd naar de ooit zo betekenisvolle man, die met hangende schouders naar het kunstwerk in de verte blijft staren. Dit kan ik niet laten gebeuren. Ik sta op en terwijl de deken van mijn schouders afglijdt duw ik Anna de beker in haar handen. ‘Ik moet ervandoor. Bedankt voor de thee.’

Zodra ik thuis ben, bel ik mijn leidinggevende. ‘Hetty, we moeten praten.’
Zwijgzaam luistert ze naar mijn verhaal. Hoe ik naar de dijk fietste om daar een rustige middag door te brengen, in het water viel en gered werd door een bijzondere man en zijn vrouw.
‘Deze man verdient respect, Hetty. Waar hij voor heeft gezorgd, kan niemand hem nadoen. Hij startte een nieuwe fase die blijvende herinnering verdient.’
‘Ik zal kijken wat ik kan doen, Ben.’
Direct nadat we hebben opgehangen begin ik mijn zoektocht op internet. Urenlang zoek ik naar manieren om iemand in het zonnetje te zetten, te eren, of op officiële wijze te bedanken. Van stoeptegels tot standbeelden op sokkels en van muurtegeltjes tot een lintje van de koning. Ik zie van alles voorbijkomen, maar niets vind ik passen bij de statigheid van deze man. Als aan het einde van de avond mijn telefoon gaat, kom ik eindelijk los van het beeldscherm.
‘Ben, je hebt gelijk. En ik heb het geregeld. Volgende maand, als het nieuwe theater wordt geopend, zal het plaatsvinden. Sikke en zijn vrouw worden uitgenodigd voor de feestelijke opening. Dat stond al gepland, dus daar zullen ze niet van opkijken.’
Ze vertelt me het plan en ik knik instemmend, zonder te beseffen dat ze dat door de telefoon niet kan zien.
‘Bedankt, Hetty.’

Zelden duurde en maand zo lang. Maar uiteindelijk is het zo ver en stap ik in de auto. In mijn mooiste pak rijd ik naar het theater. Na jaren van plannen maken, instemmingsprocedures en de bouwfase, is het nieuwe theater eindelijk een feit. Al die tijd heb ik ernaar uitgekeken om samen met mijn vriendin naar de opening te gaan. Maar helaas, die toekomstige vriendin lijkt mij maar niet te kunnen vinden waardoor ik vanavond alleen over de rode loper loop.
Binnen word ik enthousiast begroet door de dames bij de garderobe. Ze nemen mijn jas aan en na een kort praatje loop ik door naar de bar waar ik een biertje bestel. Als ik me omdraai zie ik Sikke even verderop aan een tafel staan. Anna staat naast hem en is druk in gesprek met een knappe jonge vrouw die ik niet herken en waar ik met moeite mijn ogen van kan afwenden. Ik probeer de blik van Sikke te vangen maar hij lijkt mij niet te zien, dus loop ik naar hem toe. ’Goedenavond, wat leuk om jullie weer te zien!’ Verbaasd kijkt hij op.
‘Nou zeg, dat is ook toevallig. Hoe is het met jou, jongen?’ We geven elkaar een hand en met onze andere hand kloppen we elkaar hartelijk op de schouder.
‘Ach wat zal ik zeggen. Ik ben weer opgedroogd.’ Ik geef hem een knipoog. ’Hoe is het om vanavond hier te zijn?’
‘Het voelt als een afscheid. Anna zegt dat ik het moet accepteren.’ Hij knikt opzij naar zijn vrouw. Ze steekt haar hand op en glimlacht naar mij, terwijl ze ondertussen iets tegen de vrouw naast haar zegt wat ik niet kan verstaan.
‘Het komt goed, Sikke. Geloof mij.’
Hij haalt zijn schouders op. ‘We moeten naar binnen’, zegt hij als de gong klinkt. ‘Kom je bij ons zitten?’
Anna en de mooie vrouw lopen achter ons aan terwijl we ons tegelijk met alle anderen door de toegangsdeuren wurmen en een plekje zoeken in de zaal met roodfluwelen stoelen. Niet lang daarna dimt het licht. Het geroezemoes verstomt en de eerste tonen van het provinciale lied dat in een uptempoversie door de bigband wordt gespeeld schallen de zaal in. Steeds meer gasten staan op, beginnen te dansen en op het ritme van de muziek te klappen. Ik swing mee en mijn ogen beginnen te glimmen bij het idee aan wat straks gaat komen.
Na een paar filmpjes van toen en nu, diverse korte zang- en cabaretoptredens en een lied is het eindelijk zo ver. Samen met de directeur van het theater loopt Hetty het podium op.
‘De feestelijke opening van het theater loopt bijna ten einde. Maar voordat we aan de borrel gaan rest ons vanavond nog één ding.’ De directeur geeft de microfoon aan Hetty.
‘Precies, Leen. En niet zomaar een ding.’ Achter Hetty komt een wit filmdoek naar beneden. ‘We nemen jullie graag mee naar een bijzondere plek, waar onze collega Amanda zich nu bevindt.’ Op het doek verschijnt het beeld van een strook water met daarachter een bos. ‘Amanda, kun je ons horen?’
‘Luid en duidelijk’, antwoordt de vrouw op het scherm.
Ik kijk opzij naar Sikke. Zal hij herkennen waar zij staat? Het is al donker, dus het is niet heel erg goed te zien.
‘Ik sta hier op een bijzondere plek. Op de steiger bij de sluis die de dijk doorkruist en die het land moet beschermen in barre tijden.’
De camera draait weg van haar gezicht en de verlichte sluis komt in beeld. Voor de sluis ligt een boot.
‘Anna, ze staat bij onze boot.’ hoor ik fluisterend naast me, en als ik opzij kijk zie ik hoe Sikke Anna’s hand vastpakt. Ik vang de blik van de jonge vrouw naast Anna en we glimlachen naar elkaar. Iets zegt me dat zij weet wat er straks gaat gebeuren.
Amanda praat enthousiast verder en vertelt over de geschiedenis van de dijk en de sluis. Over de totstandkoming van het nieuwe land en de eerste weg naar het werkeiland. De zaal luistert aandachtig. Dan onderbreekt Hetty het verhaal.
‘Interessant verhaal Amanda. Maar dames en heren, wat u nog niet weet is dat dit de favoriete plek in onze provincie is van een van onze aanwezigen in de zaal…’
Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat Sikke zijn gezicht naar Anna draait en een kneepje in haar hand geeft. ‘Ook van ons, hè schat’, fluistert hij.
‘Sikke, ik wil je uitnodigen om op het podium te komen. Geef hem een groot applaus dames en heren!’
Met een verstart gezicht en grote ogen kijkt Sikke naar Anna, dan naar de vrouw naast haar, dan weer naar Anna en dan naar mij. De mensen in de zaal staan op en beginnen te klappen. ‘Ze heeft het over jou Sikke, ga!’ moedig ik hem aan.
Met zijn blik op Anna gericht staat hij op, laat haar hand los en begint tussen de staande ovatie door langzaam in de richting van het podium te lopen. Onderweg draait hij zich een paar keer om en kijkt ons hoofdschuddend aan.
‘Sikke, fijn dat je er bent’, vervolgt Hetty haar verhaal als hij naast haar staat.
‘Uhm… ja, dank u’, aarzelt hij. Hier en daar klinkt een lach in de zaal.
‘Sikke, als iemand zijn voetsporen in onze provincie heeft verdiend, dan ben jij dat. Dag en nacht stond je voor ons klaar. Om de mensen te vermaken, om mee te denken over verbeteringen, toekomstplannen te smeden en ons te laten genieten van al het moois dat onze provincie te bieden heeft. Nu je met pensioen gaat…’
‘Ja, dat ga ik…’
‘En daarmee het stokje overdraagt aan nieuwe mensen, is de tijd aangebroken om je te bedanken. Om met z’n allen stil te staan bij wat jij hebt betekend. Want jij, Sikke, bent van onschatbare waarde geweest voor het aanzien van onze provincie.’
‘Goh…’ De ogen van Sikke beginnen te twinkelen en zijn mondhoeken krullen steeds verder omhoog.
‘Zonder jou zou er geen sprake geweest zijn van een theater met landelijk aanzien. Van cultureel erfgoed dat als voorbeeld dient voor de rest van het land. En daar willen we je op een speciale manier voor bedanken. Amanda, laat ons niet langer in spanning!’
‘Sikke, we hebben uit zeer betrouwbare bron vernomen dat jouw boot op de ligplaats bij deze sluis je favoriete verblijfplaats in onze provincie is…’
Ik kijk nogmaals opzij en vang opnieuw de blik van de vrouw naast Anna. Ze knipoogt naar mij en direct voel ik een tinteling in mijn buik. Nu weet ik zeker dat ze hiervan af weet en zelfs medeplichtig is.
‘…en daarom hebben we een gepast cadeau voor jou bedacht.’ Amanda loopt naar het einde van de steiger en blijft daar staan, naast een smal en hoog groen doek dat zachtjes in de wind wappert. ‘Ben je er klaar voor, Sikke?’
De zaal begint te joelen en zijn naam te roepen. ‘Sikke! Sikke! Sikke!’ Hij staart verstard naar het scherm.
‘Ja!’ roept hij dan ineens en direct is het doodstil in de zaal.
Amanda geeft een ruk aan het touw dat aan het groene doek verbonden zit en tegelijkertijd begint de bigband in het theater te spelen. Onder het doek komt een wit bord met rechtsonder een oranje driehoekje tevoorschijn. Rijksmonument, staat op het midden van het bord, met daaronder Sikkesteiger.
Sikke slaat zijn hand voor zijn mond.
‘Een speciaal cadeau, voor een speciale man. Omdat je van blijvende herinnering bent, Sikke!’ Er klinkt gefluit uit de zaal en het applaus zwelt weer aan.
‘Onvoorstelbaar… dankjewel’ zegt hij zachtjes, terwijl hij een traan van zijn wang veegt, een bos bloemen van Hetty in ontvangst neemt en naar het scherm blijft staren.
‘Dames en heren, geef hem nog eenmaal een groot applaus!’ roept Hetty in de microfoon terwijl ze haar arm gestrekt naar Sikke richt. Hij slaat zijn handen ineen voor zijn borst, maakt een diepe buiging en loopt daarna zwaaiend het podium af. Onder luid applaus loopt hij terug de zaal in en als hij bij ons aankomt omhelzen de twee dames hem lang.
Terug in de foyer kijk ik tevreden naar Sikke, die het druk heeft met handen schudden, op de foto gaan en cadeaus in ontvangst nemen. De lange rij gasten geeft aan dat ik het goed had ingeschat. Hij is inderdaad een bijzondere en geliefde man en hij heeft zelf duidelijk de waardering die er voor hem is onderschat. Ik denk terug aan zijn wanhoop op de boot, een maand geleden toen ik in het water viel. Hoe onzeker hij overkwam en hoe anders hij hier nu staat. Een tikje op mijn schouder haalt me uit mijn gedachten. Ik draai me om en verdrink in de ogen van de jonge vrouw die naast Anna zat.
‘Leuk je te ontmoeten, Ben. Ik ben Caroline, de dochter van Sikke en Anna.’

 

 

 

 

Dit verhaal schreef ik voor de Andries Greiner Prijs, een wedstrijd voor Flevolands schrijftalent. Laat je mij in de comments weten wat je ervan vond? Ik ben benieuwd!

Volg Schrijver Anja op Social Media

2 gedachten over “Kerend tij

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *