Een mokerslag op een zomerdag

Schrijver Anja hoofdpijn halsslagaderdissectie

Een mokerslag op een zomerdag

Hoofdpijn. Ik heb zo’n verschrikkelijke hoofdpijn, al twee dagen. Maar ach, iedereen heeft weleens hoofdpijn. Niet iets om de dokter voor te bellen. Tot ik op zaterdagochtend wakker word, opsta en naar de badkamer loop. Als ik in de spiegel kijk zie ik duidelijk dat er iets mis is. Ik zie er anders uit dan normaal, maar waarom? Ik blijf kijken. M’n wenkbrauwen zijn normaal, m’n mond is oke en ook mijn sproeten zitten er nog. Ik tuur naar de spiegel. En dan ineens zie ik het: mijn pupillen zijn verschillend. De rechter pupil is groot. Normaal groot, aangepast aan het schemerlicht van de ochtend. De linker pupil is klein. Heel klein, alsof ik in een scherp licht kijk en hij mij daartegen moet beschermen.

Ik loop terug naar mijn slaapkamer, pak mijn telefoon en toets op google de zoekopdracht ‘twee verschillende pupillen’ in. Bijna glij ik van het randje van mijn bed. Het is alsof de berichten waar ik doorheen scrol mijn bed hebben doen verdwijnen. Dit wil ik niet zien. Ik klik het weg en zoek het nummer van de huisarts. Oh nee, het is weekend. Ik moet de huisartsenpost bellen.

De mevrouw aan de telefoon raakt lichtelijk in paniek. ‘Mevrouw, komt u direct hier naartoe! Kan iemand u brengen?’ Uhm nee… denk ik niet hardop. Het is zaterdagochtend, de meeste mensen slapen nog, doen boodschappen of hebben vast andere plannen. ‘Ik kom op de fiets, ik woon vlakbij’. Mijn antwoord wordt nauwelijks geaccepteerd. Maar nadat ik met lichte overtuigingskracht aangeef dat ik mij verder goed voel gaat ze akkoord. Ik mag zelfstandig naar de huisartsenpost in het ziekenhuis komen. Op voorwaarde dat ik 112 bel als ik mij onderweg niet goed voel.

Duizelig neem ik plaats op de donkerbruine bank in de lege wachtruimte. Het schelle licht van de tl-buizen doet pijn aan mijn ogen. Zal mijn pupil al bijgetrokken zijn? Ik weet het niet. Het liefst zou ik naar het toilet lopen om in de spiegel te kijken, maar dan zal je net zien dat ik mijn beurt mis. De weekendarts stelt het syndroom van Horner vast: twee ongelijke pupillen. De vraag waarom blijft onbeantwoord. ‘Maandag naar je eigen huisarts en een verwijzing naar de neuroloog vragen’ deelt ze mede. ‘Oke’, antwoord ik nog bibberend van schrik. Vertwijfeld loop ik de kamer uit, niet wetende of ik opgelucht of bezorgd moet zijn. Een slopend weekend van onzekerheid volgt. Wat heb ik? Gaat het over? Is het ernstig?

Die maandagochtend om 8 uur ben ik op het werk. ‘Misschien moet ik vandaag wat eerder weg, naar de huisarts’, zeg ik tegen mijn leidinggevende. Om half 9 bel ik de doktersassistente die mij opdraagt direct te komen. Mijn armen voelen ineens zwaar, de moed stroomt in een razend tempo mijn lijf uit. ‘Ik moet nu al weg’, mompel ik terwijl ik met mijn jas aan langs de kamer van mijn leidinggevende loop.

De huisarts is kalm. Ze laat me m’n wenkbrauwen optrekken, met m’n ogen haar vingers volgen, meet mijn bloeddruk en kijkt met een lampje in m’n ogen. ‘U moet naar de neuroloog, en wel vandaag’, is de conclusie. ‘Ik bel vast dat u eraan komt’. Opnieuw stroomt een lichte golf van paniek door mijn buik. Met lood in m’n schoenen verlaat ik de kamer. Op naar het ziekenhuis.

Dezelfde testjes, dezelfde conclusie. Nader onderzoek is nodig, en wel vandaag. ‘Bloedprikken en naar de röntgen’, is de opdracht van de neuroloog. En daar ga ik, niet in staat een woord uit te brengen. De wachtruimte voorbij, het prikhokje in. De hatelijke en niet begrijpende blikken van de mensen in de wachtruimte prikken in mijn rug. Ben ik echt zó ziek dat ik voor hun allemaal mag gaan? Dan door naar de röntgen. Als verdoofd neem ik plaats op de koude harde plank die mij de CT-scan inrolt. Een grote, grijze, herriemakende donut. ‘Sorry ik heb misgeprikt’ hoor ik de verpleegster zeggen. Het gaat om het infuus. ‘Ik probeer het nog een keer’. Ik hoor haar amper en voelen doe ik het al helemaal niet.

Na de scan moet ik 10 minuten wachten voor ik weg mag. De contrastvloeistof kan een allergische reactie uitlokken. Als verslagen zit ik alleen in de wachtruimte, kijkend naar de klok. Nog zeven… nog vijf… nog een… Thuis tel ik de uren af totdat de neuroloog mij belt…
‘U heeft een scheurtje in uw halsslagader’. De uitslag dreunt als een moker tegen de zijkant van mijn hoofd. Een pijnscheut steekt van links naar rechts, gevolgd door de gedachte ‘ga ik nu dood?’ ‘U loopt nu risico op een hersenbloeding’ zegt haar stem in de verte.

Ik hang op. Het wordt zwart voor m’n ogen. De woonkamer lijkt te draaien. Ik voel hoe ik van de stoel val maar grijp net op tijd de leuning vast. Wanneer m’n zicht terugkomt komen de tranen. Wat is dit? Hoe kom ik hieraan? En overleef ik dit wel? Vragen die de toekomst moeten gaan uitwijzen. Maar eerst moet ik naar de apotheek. En snel ook. Om het risico te beperken.

Deze blog is ook gepubliceerd op de website van de hersenstichting. Klik hier om naar de site van de hersenstichting te gaan.

Foto: www.tessamedia.com

 

Volg Schrijver Anja op Social Media

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *